Conferentie OGGZ

Meldpunt Moeilijk Plaatsbaren.

De Procedure bij GGD Zuidelijk Zuid-Limburg

Woningcorporaties in Maastricht, geconfronteerd met huurders die ernstige overlast veroorzaakten, hadden vr 1993 geen andere mogelijkheid dan deze huurders via een ontruimingsprocedure op straat te zetten.

De gemeente Maastricht was verantwoordelijk voor de opvang van deze daklozen.

De gezamenlijkheid van dit probleem erkennend werd de toenmalige DGD (districtsgezondheidsdienst, nu gemeenschappelijke gezondheidsdienst zuidelijk zuid Limburg) gevraagd een meldpunt Moeilijk Plaatsbaren in te richten.

Het doel van dit meldpunt was inzicht te krijgen in aard en omvang van het gestelde probleem, en voor de individueel aangemelde overlastveroorzaker een hulpverleningstraject op te zetten met als doel de overlast te verminderen.

Het idee was dat in een groot deel van de gevallen de overlast voortkwam uit persoonlijke (gezondheids) problemen als psychiatrische problematiek, verslaving, beperkte verstandelijke vermogens etc.

Om naast het registreren van de overlastgevallen ook een hulpverleningstraject te kunnen bieden zijn afspraken met hulpverlenende instellingen in convenanten vastgelegd.

De procedure

Een woningcorporatie meldt een overlastveroorzaker aan bij de GGD met een aanmeldingsformulier en achtergrondinformatie over de overlast:

  • klachtenbrieven van omwonenden,
  • briefwisseling tussen corporatie en betrokkenen met betrekking tot de overlast, en
  • verslaglegging van acties van de corporatie, tot aan de melding.

Een medewerker van het meldpunt bezoekt de overlastveroorzaker thuis en vraagt hem/haar medewerking te verlenen aan de moeilijk plaatsbare procedure. Dit door een machtiging te ondertekenen die huidige of vroeger betrokken instellingen toestemming geeft informatie over de achterliggende problematiek aan het meldpunt te verstrekken. Niet tekenen van de machtiging kan betekenen dat de corporatie een ontruimingsprocedure voor de kantonrechter start.

De medewerker van het meldpunt onderzoekt door middel van:

  • gesprekken met de gemelde overlastveroorzaker,
  • gesprekken met diens omwonenden, en
  • door informatie te verzamelen bij politie en
  • eventueel betrokken hulpverlenende instellingen

de oorzaak van het overlast gevend gedrag en het effect dat dit gedrag op de omgeving heeft.

Afhankelijk van de problematiek wordt een hulpverleningsnetwerk opgezet.

Er wordt een samenwerkingsovereenkomst ondertekend door 3 partijen:

  • de overlastveroorzaker,
  • diens hulpverlener en
  • de woningcorporatie.

In deze samenwerkingsovereenkomst worden afspraken vastgelegd die moeten leiden tot stoppen van de overlast.

De overeenkomst heeft een looptijd van een jaar, in dat jaar vindt een aantal evaluaties plaats om het effect van de afspraken te bepalen en eventueel bij te stellen.

Als er in dat jaar geen overlastklachten meer zijn binnengekomen bij de corporatie wordt de samenwerkingsovereenkomst ontbonden.

Zijn er nog wel overlastklachten binnengekomen maar is er een duidelijke tendens tot verbetering te zien wordt de overeenkomst bijgesteld en verlengd.

Blijven de overlastklachten bestaan en is er geen verbetering te zien door het niet nakomen van de afspraken dan start de corporatie een ontruimingsprocedure.